Reisverslag Sri Lanka: 16-daagse rondreis Klassiek Sri Lanka

Voorwoord

Een waar paradijs, zo herinner ik mij Sri Lanka. Uitgestrekte parelwitte zandstranden met wuivende palmen langs een blauwe oceaan. Vissersdorpen met huisjes van palmtakken. Typische boten. Thee-, bananen- en rubberplantages. Vriendelijke (kleine) mensen. Botanische tuinen, bergen, watervallen en heel veel lekker geurende specerijen en fruit, heel veel fruit. Daarom deze hernieuwde kennismaking, maar nu samen zodat we dubbel kunnen genieten.


Dag 1: Van Amsterdam naar Colombo

Om ca. 09.30 op weg naar P3. (Schiphol lang parkeren). De ochtendspits is zo goed als voorbij en de auto kon ik vlakbij de ingang van het parkeerterrein al kwijt. Met de shuttle bus naar Vertrekhal 3. Het inchecken gaat razendsnel dus op naar de koffie. We vliegen met Royal Jordan eerst naar Amman. (Vlucht RJ152 vertrek om 12.40). De koffers (totaal 42 kg) worden gelukkig direct doorgeboekt naar Colombo. De service aan boord is goed en de vakantie kan beginnen. In Amman overstappen op de RJ 194 waarvoor we zo’n 1 ½ uur de tijd hebben. We vertrekken om 19.30 uur. In het vliegtuig zitten veel Sri Lankanen die in de Golf regio gewerkt hebben en voor een verlofperiode naar huis keren. Ze zijn dus erg vrolijk en we maken een gezellig praatje.


Dag 2: Aankomst Colombo - Negombo

Om ca. 05.00 uur (de volgende dag dus) komen we aan op het vliegveld van Colombo. Je merkt gelijk dat je in de tropen zit, de Hollandse wintertrui heb je hier niet nodig. We moeten erg lang voor de immigratie wachten, het gevolg is dat we de koffers direct kunnen oppakken.
Op naar de toerleider. Hij staat buiten, met een brede smile, op ons te wachten. We wisten al dat de hele groep uit 4 personen bestond, maar nu maken we ook kennis met de 2 andere reizigsters (2 aardige vrouwen uit Friesland). De toerleider heet Sam en we krijgen van hem allemaal een sterk ruikende bloemenkrans. Hij stelt voor om eerst even “flappen te tappen”.
Daarna volgt een stadstour door Negombo.

Negombo is een stad aan de westkust van Sri Lanka, De stad ligt ca. 40 km ten noorden van Colombo in een zogenaamde lagune met uitgestrekte mongrovebossen en bezaaid met kokospalmen. Negombo (ca 122.000 inwoners) heeft een belangrijke toeristenindustrie en ligt op korte afstand (zeven kilometer) van de luchthaven. De haven van Negombo is van belang voor de visserij. In de haven zie je naast oude, ook veel nieuwe vissersboten in schitterende kleuren (tsunami – giften) Op zee zie je tientallen vissersboten (een soort catamaran). Tussen Galle en Negombo groeit de zuiverste en allerfijnste kaneel in het wild

Geschiedenis Negombo
De vesting was met het oog op de kaneelhandel door de Portugezen gebouwd. In 1640 is Negombo veroverd door de Nederlander Philips Lucasz. In 1643 hebben de Portugezen de stad heroverd, maar Francois Caron nam de stad voor de tweede maal in (1644). De Hollanders hebben in de 17e en 18e eeuw een netwerk van 120 km kanaal aangelegd voor de afvoer van kaneel (van Negombo naar Puttalam). In 1796 is de stad bezet door de Engelsen. De kanalen bestaan nog steeds en zien er goed verzorgd uit.


Het Nederlandse fort 1768 (gevangenis)
Vanwege het vroege ochtenduur stelt hij voor om eerst naar de vismarkt te gaan, want die is nu in volle gang. We zien een mega hoeveelheid vis die verhandeld wordt. Ook zien we hele hopen vis die op een stuk zeil liggen te drogen. Natuurlijk zijn er ook andere stalletjes waar je naast bananen, kokosnoten en ananassen terecht kunt voor de nodige hoeveelheid Sri Lankaanse tupperware narigheid. Volgens Sam zijn er 11 verschillende soorten bananen op Sri Lanka. Voor het eerst van mijn leven zie ik hier rode bananen. Wat verder meteen opvalt, is de grote hoeveelheid RK kerken en het weinige aantal moskeeën. Natuurlijk zijn er ook veel kleurrijke Hindoe tempels (Hindoes zijn vaak handelaren). Op naar het hotel, het Browns Beach hotel. Inchecken, koffers achterlaten en een stukje lopen. Bij een eettentje naar binnen en de lunch gebruiken. Anneke een ananas pizza en voor mij een bordje spicey curry met beef (mmmmmm lekker). Terug naar het hotel en even een middagdutje (ca. 2 uur). Vervolgens naar het strand. Op het strand zitten heel veel krabbetjes die zodra ze de grond voelen trillen (door bv. voetstappen) direct in een holletje schieten. Ze kunnen ongelooflijk hard zijdelings rennen en een holletje in het zand graven. Het Browns Beach hotel is erg eenvoudig maar het eten is ongelooflijk lekker en het bedienende personeel is heel erg vriendelijk. En last but not least: waar kun je uitgebreid dineren op een tropisch palmenstrandje? (in Nederland vriest het momenteel). In de kamer zit tegen het plafond een gekko.


Dag 3: Negombo – Pinnaela – Dambulla - Giritale

Roomservice om 05.45 (geregeld door Sam). Om 06.30 uur op pad om op ca. 08.15 uur het voederen van de baby olifanten mee te kunnen maken. We hebben een ontbijtpakket mee (dat scheelt weer een uurtje). We doen natuurlijk onderweg heel veel indrukken op en stoppen af en toe om iets te bekijken. Sam blijkt een gezellige prater te zijn die trots is op zijn eiland en ons graag in zijn enthousiasme mee trekt. Overal zie je kinderen in witte kleding lopen die naar de zondagsschool gaan, ook de onderwijzeressen lopen in witte sarongs.
Onderweg weer de nodige groente en fruitstalletjes. Ze hebben hier ook worteltjes, bietjes en veel koolsoorten. We maken een stop bij een huis waar men palmolie wint uit kokosnoten. De kokosnoten worden eerst door midden gehakt. Het kokosvlees wordt uit de noot gehaald en gedroogd. Als het vruchtvlees genoeg gedroogd is, wordt met een pers de olie uit het vruchtvlees geperst. Van de restanten van de kokosnoot maakt men touw en het overige dient als brandstof. Niets gaat verloren. De hele familie wil op de foto en poseert met een lachend gezicht. Internet hebben ze niet, dus ik zal de foto per post versturen. Water is van levensbelang, je kunt er van alles mee doen. Aangezien in het binnenland geen waterleidingnet is, gebeurt alles in de rivier: jezelf wassen, de was doen, lekker ontspannen, etc. Sri Lanka is specerijen eiland, overal zie je grote lappen plastic waarop de kruiden liggen te drogen. Sam wijst ons op een kapokboom. Grote zaden hangen in de boom, eenmaal rijp springen ze open en de kapok wordt zichtbaar. Ook zie je vogels met schitterende kleuren. We rijden langs rijstvelden, stupa’s en moeten af en toe wachten bij een spoorwegovergang voor een trein die door een dorpje dendert. Aangekomen in het olifanten opvangcentrum in Pinnaela (ongeveer zo groot als het Amsterdamse bos) zien we hoe de baby olifanten de fles krijgen (ca. 2 liter). Even verderop staat de oudste olifant ( ca. 45 jaar) met mega grote slagtanden alleen, onder een afdakje. Hij blijkt blind te zijn. Ook staan er op (veilige) afstand van het looppad enkele mannelijke olifanten die in “mush” zijn.
Aangekomen op de speelweide van de olifanten zijn er natuurlijk verkopers van bananen die de toeristen graag een paar roepies lichter willen maken. Na het kopen van bananen komen de olifanten slurven vanzelf jouw kant op. Anneke voert een olifant die een stuk van zijn poot mist door een bomexplosie (misschien van een boze boer die zijn oogst wil beschermen, of van de binnenlandse strijd met de Tamil tijgers?). Vervolgens gaan we richting dorp om een mooi plaatsje uit te zoeken om het wassen van de olifanten te aanschouwen. Sam begeleidt ons naar een oud koloniaal restaurant met een schitterende uitkijk op de rivier. Genietend van een lekker vruchtensapje zien we de ca. 80 olifanten door de dorpstraat richting rivier denderen. Precies tegenover het restaurant wordt een winkel gebouwd. Stalen steigerpalen kennen ze hier niet, alles wordt met bamboe stokken gedaan. Je ruikt hem zeker al: olifanten en bamboe. 1 van de olifanten rukt zo’n lekker bamboe steigerpaal weg en de man boven op het platje vreest voor zijn leven. Woedend smijt hij een stuk hout naar de olifant (lachen!). De olifanten zijn dol op het verfrissende water en vermaken zich opperbest. In de hoofdstraat is ook een winkeltje waar ze van olifantendrollen van alles maken, schilderijlijstjes, doosjes en andere prullaria. Het reclamebord spreekt voor zich. Het is ondertussen tijd voor de lunch. In een specerijentuin smaakt het eten natuurlijk extra lekker. Alle mogelijke soorten zijn hier te zien o.a. Canonball (kauwgom), cacao boom, carambola, peper en nootmuskaat. Het ruikt allemaal erg lekker. Ook de menukaart is hier speciaal.
Na het eten willen we wegrijden, maar er is een probleem. We hebben een gescheurde koelwaterslang. Probeer op zondag maar eens een kapotte auto in Sri Lanka gerepareerd te krijgen (misschien iets voor de ANWB). Na wat heen en weer bellen blijkt er in een volgend dorp een garage open te zijn (de enige op het hele eiland die zondags geopend is). Gelukkig heeft de garage ook nog een bijna dezelfde waterslang op voorraad, weliswaar niet nieuw maar heel. Slangklemmen hebben ze niet, maar ook die worden geregeld. Voor ons een mooie gelegenheid om even in het dorpje rond te snuffelen. Natuurlijk een paar flessen water gekocht en iets om op te knabbelen. Na dik een uur kunnen we weer verder. De locals rijden als gekken. Soms wordt er drie dubbel dik ingehaald en moet de tegemoetrijdende automobilist uitwijken. Sam rijdt erg netjes, weinig haantjes gedrag. Ook zien we veel Tata vrachtwagens en bussen rijden. Opeens zien we een gouden Boeddha boven de omgeving verreizen. Het is de gouden tempel van Dambulla. Het is een giga groot complex. In het bergachtige gebied bevinden zich zo’n 80 grotten, vijf heiligdommen, vier belangrijke kloosters en vele beelden. De meeste beelden stellen Boeddha voor. Ook zijn er veel wandtekeningen. Op het plein bij de Gouden Bouddha lopen veel schoolkinderen die (waarschijnlijk verplicht) de toeristen opzoeken om een praatje te maken. Het is allemaal heel gezellig en opvallend schoon.

Dambulla
De beroemde grottempel van Dambulla ligt op 12 km ten zuiden van Sigiriya. In de eerste eeuw voor Christus verbleef koning Valagambahu tijdens een 14-jarige verbanning in de grotten van Dambulla. Hij doodde zijn tijd met de aanleg van een schitterende rotstempel. In latere eeuwen werd de tempel meermaals gerestaureerd en overgeschilderd en in 1991 werd hij op de wereldmonumentenlijst geplaatst. Het uitzicht vanaf de 160 meter hoge top van de rots is adembenemened, de klim via veel trappen en rotspartijen is behoorlijk pittig (vooral in de tropische hitte). In totaal zijn er vijf heilige ruimtes op ca. 125 meter hoogte. Langs de trappen en voor de ingang (waar je de toegang moet betalen) zitten bedelaars. In de eerste grot ligt een ruim 15 meter lange uit de rots gehouwen Boeddha. De fresco’s op de muren dateren uit de 15e eeuw. De tweede grot is de grootste en meest indrukwekkende. Hier bevinden zich 150 levensgrote beelden van goden, waaronder beelden van Hinduïstische goden als Vishnu en Ganesha. Het plafond is versierd met fresco's die gebeurtenissen in het leven van boeddha uitbeelden en belangrijke fragmenten uit de geschiedenis van de Singalezen. Ze zijn tussen de vijftiende en achttiende eeuw aangebracht.

Aangekomen in ons 2e hotel, het Giritale hotel, de koffers neergezet een verfrissende douche genomen en dineren. De kamers zijn iets luxueuzer dan in het 1e hotel, de bedden zijn opgemaakt en van bloemen voorzien. We blijven de komende 3 nachten in dit hotel. Het mooiste van dit hotel is het uitzicht over een meer en de jungle. Het (lopend) buffet is iets minder uitgebreid dan het vorige hotel. Er zijn 3 muzikanten die nooit een prijs zullen winnen als ze meededen met een songfestival. Snel een fooitje geven, dan gaan ze ook weer snel weg. Nog even een slaapmutsje en naar bed.


Dag 4: Giritale – Minneriya Park

Maandag om 7.15 opstaan, 8.30 uur ontbijten en weer op pad met een 4WD. Eerst even flappen tappen. In eerste instantie 30.000 roepies proberen te pinnen, maar dat mislukte.

Vervolgens 20.000 roepies ingetypt en dat lukte wel, dus nog maar eens 20.000 roepies uit de automaat gehaald. Met een dikke buidel geld op zak weer terug in de jeep. Het is een vochtig warme dag. Door het platte land gereden. Er zijn voornamelijk rijstvelden in dit gebied. Je kunt duidelijk zien dat er niet aan wisselteelt wordt gedaan. Op sommige plaatsen raakt de grond uitgeput en wordt het gewas door beestjes en/of bacteriën aangetast. De oplossing is gif (!!!!!!). Onderweg een grote pauw gezien, heel veel ijsvogels (gele en blauwe).
Vrouwen die hout bijeengesprokkeld hebben en het bijeengebonden pakket op hun hoofd vervoeren. Langs de kant van de weg zie je af en toe termietenheuvels staan, cobra’s willen nogal eens in zo’n heuvel hun onderkomen zoeken. Je bent gewaarschuwd. Ook mochten wij een huisje (lemen hut) van binnen bekijken nadat Sam een praatje had aangeknoopt met een lokale bewoonster. In het huisje (erg leeg) een praatje gemaakt en een op een cassette bandje opgenomen liedje aangehoord van de zoon van de vrouw. Hierna haar tuin bekeken, ongelooflijk wat een diversiteit aan fruit en specerijen (bananen, mango’s, jack fruit, ananas, papaja, tomaat, peper, paprika, gember, vanille, kurkuma, kruidnagelen, aloeva, kaneel, nootmuskaat, etc., etc.) en bloemen. Ook had zij een eigen bron, met heerlijk schoon, koel water.

En weer op pad met de jeep. Nog geen 100 meter verder zat er een Indische slangen arend in de boom. De vogel bleef ons heel lang aanstaren en vloog pas op het allerlaatste moment weg. Ook zat er een zwartkop wielewaal in een boom en op de hoogspanningskabels zitten ijsvogels. Verderop liet een vrouwtje haar koe en kalf uit en doet een vrouw de was in de rivier. Het ziet er allemaal zo lekker ontspannen uit, heerlijk gewoon. Even verderop weer uit de jeep en op naar een volgend hutje, Het vrouwtje verwelkomde ons en liet zien hoe je rijst pelt, veel werk hoor. Vervolgens moest er sambal gemaakt worden. Recept: je neemt een kokosnoot pelt hem. Het bruine vezel bewaar je, want daar kun je touw van maken. De melk drink je op en het vruchtvlees stamp je fijn. Vervolgens een paar pepers op een vlakke steen en die rol je fijn. Je husselt alles door elkaar en je hebt je eigen sambal. Even proeven: nivo 3 (hoogste nivo). Vervolgens blus je de brand met arak (kokosnoten jenever). Pffffff. Hard werken op zo’n vakantie. Ook liet het vrouwtje ons zien hoe je dakbedekking maakt van palmbladeren. In no time was de klus gedaan. We mochten ook haar huisje van binnen bekijken. Ivm. het brandgevaar ook hier geen elektra. De meeste mensen hebben wel een accu waarop een tv of radio is aangesloten en een peertje, maar hoe ze de accu weer opladen??? Weer een fooitje en verder.

Langs de kant van de weg een offer gezien tegen demonen. Waarschijnlijk iemand die geestesziek is en waarvan de familie hoopt dat hij/zij geneest door het gunstig stemmen van de geesten. Het offer zag er mooi uit. Ook een (land)leguaan gezien. Op naar het hotel om een verfrissende douche te nemen. Onderweg kip en curry gegeten. Als extraatje had Sam een bezoek aan een stuk bos met ontzettend veel apen en de restanten van tempels (8-hoek) geregeld. Hierna op naar de olifanten voor een ritje met z’n vieren op een olifant. Via een wankele trap naar een bordes en vervolgens op de olifant. Het beest had de tocht waarschijnlijk al een paar duizend keer gelopen, want hij/zij sukkelde op haar gemak de bekende route. In tegenstelling tot de ritjes in Thailand waarbij je met z’n tweeën op de olifant zit in de lengterichting, zaten wij hier dwars op de olifant. Wie het wilde mocht op de kop van de olifant plaats nemen. Ank natuurlijk als eerste, ze vond het wel leuk. Natuurlijk nog even door het water waden. Er zaten ook hier heel veel witte reigers en ijsvogels. Waarschijnlijk veel vis in de vijver. Op de terugweg zei de begeleider dat hij best wel €10 fooi wilde hebben. Bij terugkomst afstappen op het bordes en weer de gammele trap af. Halverwege ben ik door een tree gezakt. Gevolg: schaafwond en een grote blauwe plek (ca. 20 cm).

Na dit feest zijn we naar een reservaat gereden en gingen op zoek naar de echte wilde olifanten. Na een uurtje zagen we ze opeens in de verte. Een grote groep die al wandelend aan het eten waren. Groen van bomen en struiken, alles ging in hun grote bek. Om wat dichter bij de olifanten te komen, even een afscheidingspaal gedemonteerd en flink gas geven om een bijna opgedroogde rivierbedding te nemen, het lukte in 2 keer. In totaal schat ik dat we op die namiddag zo’n 100 stuks wilde olifanten gezien hebben. Het was al aardig donker geworden toen we terugreden. De wilde olifanten blijven niet allemaal in het reservaat, sommige zoeken de bewoonde wereld op en banjeren door tuinen en lopen pal langs de weg. Aangezien de olifanten geen verlichting hebben, is het even wennen als je zo’n dikbil op een ½ meter afstand met een gangetje van 70-80 km/u passeert. Aan de meeste auto’s in Sri Lanka mankeert wel wat, meestal is het de verlichting. Zo ook bij de 4WD waarin wij zaten, ineens viel alle verlichting uit. Oplossing: dan maar de knipperlichten aan en hopen dat alles goed gaat. Na een indrukwekkende dag weer terug naar het hotel. Douchen-eten en slapen.


Dag 5: Giritale - Polonnaruwa

Uitslapen tot ca. 09.00 uur, toen werden we gewekt door de receptie of we nog wilden ontbijten (mogelijk tot ca. 09.15 uur) dus snel uit bed, ontbijten en daarna douchen. De gehele ochtend rustig aangedaan. Het is 32 °C. en vochtig warm. Op het terras, uitkijkend over een meer recht voor ons en de jungle aan de rechterkant, genieten van een lekker bakje koffie. In de lucht een paar visarenden die door de thermiekwerking lijken te zweven boven het meer. Er zitten veel apen rondom het hotel. Ze plukken de lotusbloemen en bladeren uit een vijver om ze op te eten. Plotseling duikt er een aap op om onze koffiekan te stelen, gelukkig kon ik hem weer terug grijpen. Om 12.30 weg om te lunchen. Onderweg komen we weer van alles tegen: Een (Indische) maraboe en een (Indische) mangoeste. Kinderen die met een bus op schoolreis zijn. De meisjes in de ene bus en de jongens in een andere bus. Allemaal keurig gekleed in een schooluniform. Een hele mooie (replica) Boeddha met een mooi aangelegd tuintje. Aan de voet van de Boeddha de 2 wachters (1 links en 1 rechts).
We zijn bij een restaurant aangekomen waar de vis, volgens Sam, erg lekker is. Inderdaad de vis is heerlijk maar er zitten wel veel graten in. Even later komt een bus met FOX reizigers binnen, een grote groep. We zijn blij met ons klein groepje. Onder de luifel van een huisje hangt een zwaluwnest met broedsel. Ook zat er een vogel in een buitenlamp op een nest met jongen. Het vrouwtje was al opgegeten door de poes. Vervolgens op naar een houtsnijwinkel met een duidelijke uitleg over de verschillende soorten hout die men gebruikt. Vooral het regenbooghout (diverse kleuren) geeft een speciaal effect aan het snijwerk en sandelhout ruikt lekker. De reis gaat verder naar Polonuaruwa, de oude hoofdstad van Sri Lanka. Onderweg nog even gestopt bij een riviertje waar 3 grote watervaranen aan land kwamen. Die beesten lijken zich traag voort te bewegen, maar hou ze een stukje kip voor en ze veranderen in razendsnelle agressieve beesten die zelfs in palen klimmen. Aangekomen bij het museum van polonuaruwa volgt een uitleg van een lokale gids die ons in sneltreinvaart door het museum leidt. Het gehele tempelcomplex is gigantisch groot en daarom staan er een paar fietsen klaar voor de dames. Ik vergezel Sam in de airco. Onderweg nog een behoorlijk grote slang (ca. 1,5 meter) gezien, een (Indische) sterschildpad en een weer een mangoeste. Ook ter plekke nog kaarten en een 800 jaar oud muntje gekocht. (zie scan). Natuurlijk hebben wij de 4 grote Boeddha’s (4 levensfasen) bezocht.

Polonnaruwa is de middeleeuwse hoofdstad van het eiland. Oorspronkelijk is Polonnaruwa in de 10de eeuw gesticht door de Indiase Chola dynastie, die de plek beschouwden als een strategisch gunstige locatie mochten de Singalese vorsten van het Ruhunu koninkrijk in opstand komen. Nadat de Singalese vorst Vijayabahu I de Cholas in 1070 uit Sri Lanka had verdreven, maakte hij Polonnaruwa tot de hoofdstad van zijn koninkrijk. Anuradhapra was toen al vanwege de Indiase invasies door de Singalezen als machtscentrum opgegeven. Het was onder koning Parakramabahu I (1153-1186) dat Polonnaruwa zijn hoogtijdagen beleefde. De vorst verfraaide Polonnaruwa met een aantal indrukwekkende bouwwerken en heiligdommen, waarvan de resten vandaag de dag nog bewonderd kunnen worden.
Zijn opvolger wilde zijn bouwijver zelfs overtreffen en bracht hierdoor het Singalese koninkrijk bijna tot de bedelstaf. In de vroege 13e eeuw bleek Polonnaruwa net zo min opgewassen tegen Indiase invasies als Anuradhapura een paar eeuwen eerder. Uiteindelijk besloten de Singalese vorsten hun hoofdstad naar het westen van het eiland te verhuizen.

In de oude koningsstad Polonnaruwa kun je de ruines van paleizen, tempels, kloosters en stupa’s bekijken. Op het terrein wemelt het van de apen en er zijn meer souvenirverkopers dan bezoekers.
De entree voor het museum en tempelcomplex bedraagt $25. Het archeologische museum geeft een goed inzicht in de bezienswaardigheden en de geschiedenis van Polonaruwa.
Er is ook een overzichtelijke maquette van het gehele tempelcomplex, daarom is het verstandig eerst een bezoek te brengen aan dit museum voordat je de ruines bezoekt. De onderlinge afstand tussen de tempels is te groot om te lopen, daarom kun je fietsen huren. De fietsen zijn natuurlijk maatje extra klein. Het zonnetje brandt lekker, dus: Vrouwen fietsen maar, ik blijf in de airco.

Na terugkomst in het hotel de natte kleren uit en gedoucht, vervolgens diner. De dagen vliegen om, tot nu toe is het een schitterende reis (So far so good).


Dag 6: Giritale – Sigiriya – Matele - Kandy

05.30 uur wekken, 06.30 ontbijt. De zonsopkomst meegemaakt. Het is weer mooi weer. In Nederland is er sneeuw gevallen. Het lijkt wel of onze koffers steeds zwaarder worden. 07.00 uur op pad. Het is heel dampig, dus het wordt weer een tropische warme dag. Onderweg weer visarenden, ijsvogels, dikbekkraaien, witte reigers en aalscholvers gezien. Er zijn veel schoolkinderen onderweg. Langs de kant van de weg bij een fruitstalletje een praatje gemaakt. De vrouw is bedroefd, een olifant heeft haar groentetuin gebruikt om te dineren. Lekker door de jungle gereden en veel olifantensporen (shit en pootafdrukken) gezien. Ook een uitkijktoren voor de dikhuiden gezien. De mensen hebben hier veel vee. Ook een kind aan een waterpomp zien zwengelen. We passeren vele kleine kleisteenfabrieken. De ovens worden met hardhout (kokospalm) gestookt. De stenen blijven 3 dagen in de ovens. Natuurlijk passeren wij weer vele stupa’s en Boeddha beelden onderweg. We zijn op weg naar Siriqirria.

De rotsvesting Sigiriya – De Leeuwenrots
Een bezoek aan Sigiriya, een reusachtige rots midden in een droge savannevlakte, is één van de hoogtepunten van een reis naar Sri Lanka. Het is een solitaire rots met een hoogte van 360 meter boven zeeniveau. De omgeving ligt ca. 200 meter lager. De totale klim bedraagt 1236 treden. We gaan via de olifanten intree naar boven en we verlaten uiteindelijk de rots via de Cobra uitgang. Dit omdat de rots bij de intree lijkt op een olifant en de rots bij de uittree lijkt op een …… De beste tijd om de rots te beklimmen is in de vroege ochtend. De klim is nogal inspannend, vandaar dat we zo vroeg op pad zijn gegaan. In het begin stijg je vrij snel via een aantal trappen tot de “mirror wall”, een muur waarin de eerste bezoekers van Sigiriya graffiti hebben gekrast en die wetenschappers een goed inzicht hebben gegeven in de ontwikkeling van de Singalese taal (Waarom doen wij dan in Nederland zo moeilijk over een beetje graffiti op onze saaie grijze betonnen muren?).

Bij het begin van de graffitimuur gaan twee wenteltrappen steil omhoog naar een nis waarin je de meest indrukwekkende niet- religieuze fresco’s van Sri Lanka kunt bewonderen. De wolkenmeisjes. Via de “mirror wall” arriveer je op een plateau bij een steile trap tussen gigantische leeuwenpoten. Vroeger was er ook nog een leeuwenkop en je moest door de bek van de leeuw om bij de trap naar boven te komen. Je verdween echt in een (stenen) leeuw. De leeuwenkop is er helaas niet meer. Via een gammele ijzeren trap klim je nog verder omhoog naar de top van de rots en kom je op het plateau van Sigiriya aan. Momenteel wordt deze gammele trap vervangen door een nieuwe, maar het is oppassen geblazen want af en toe ontbreken de bevestigingsbouten en sommige traptreden. Koning Kaspaya heeft in de 5e eeuw zijn rotsvesting en paleis gebouwd, maar daar is behalve de resten van muren en een aantal waterreservoirs nog maar weinig van bewaard gebleven. Vanaf het plateau heb je een adembenemend uitzicht over de omgeving van Sigiriya.

Het hele keizerlijke complex was gebouwd en gebaseerd op de aanwezigheid van water. Er zijn vele waterreservoirs, waterbekkens, zwembaden etc. Men had zelfs waterfonteinen. Alles is ook spiegelbeeldig uitgevoerd.

Vanaf de berg kun je dit mooi zien. In de verte rijst de grootste Boeddha van Sri Lanka op uit de jungle. De koning woon
de vroeger in het natte seizoen op de berg en wanneer het water op dreigde te raken, werd hij naar beneden gedragen en woonde hij in zijn benedenpaleis. Volgens informatie had hij 500 vrouwen. Die vrouwen hebben de fresco’s op de bergwand aangebracht. Helaas zijn er nog maar een paar van over. In de directe omgeving van de berg tref je weer van alles aan: een slangenbezweerder met een paar cobra’s, een groep boeddhistische monniken in mooie rode gewaden, een groepje van 4 vrouwen uit IJmuiden, varanen en mooie vlinders.

We gaan weer verder richting Matele; op naar een batikfabriekje. Het gehele proces wordt uitgelegd en vervolgens worden we naar de verkoopruimte geloodst. De prijzen zijn belachelijk hoog, dus jammer dan (voor hen). De volgende stop is een kruidentuin, er volgt een rondleiding. We krijgen een duidelijke uitleg over alles wat er groeit en bloeit en zien en/of proeven achtereenvolgens: vanille, gember, kurkuma, kruidnagel, aloë vera, koffie, rode, groene en witte peper, cacao, kaneel, rubber, ananas, nootmuskaat, cerasse (tegen reuma), etc., etc. Aan het einde van de rondleiding krijgen we allemaal een massage. Ook hier weer een winkeltje waar je alle smeersels en kruiden kunt kopen. Omdat we toch nog ruimte in onze koffer hebben ………….. We vervolgen onze rit en rijden richting Kandy. Onderweg zien we vele rijstvelden, fruitstalletjes en Hindoe tempels. De Hindoe tempels zijn kleurrijk en voorzien van veel afbeeldingen van goden, mensen en dieren. Onderweg stoppen we nog even bij een stalletje om er de lokale lekkernij, kwark met honing, te eten. Aangekomen in Kandy hebben wij een culturele dans gezien met veel trommelaars en vuurspuwers. Hierna zijn we naar het belangrijkste Boeddhistische heiligdom in Sri Lanka gegaan, “De tempel van de tand van Boeddha”. De boeddhisten raadplegen vaak de astrologische kalender om een geschikte trouwdatum te bepalen. Het blijkt dat rond deze tijd het astrologisch gezien een goed moment is om te trouwen want we zien veel trouwerijen en in de tempel is het heel erg druk met trouwlustigen, al dan niet met familie, die middels bloemenoffers de goedkeuring of zegen van Boeddha vragen. Het trouwen gebeurt hier vaak nog in traditionele kleding. Ook in het hotel waarin wij verblijven en in de omringende hotels zijn luidruchtige trouwfeesten aan de gang. Dit is natuurlijk ook weer een hoogtepuntje in onze reis. Zowel ’s morgens als ’s avonds mogen de bezoekers van de tempel een korte blik werpen op de gouden kist waarin de tand zich bevindt. (het is een kistje in een kistje in een kistje in een.., totaal 7 kistjes). Gedurende de tijd van de ceremonie, zo’n 2 uur staan er een aantal trommelaars gigantisch hard op hun trommels te rammen, het geeft wel sfeer aan het gebeuren, maar ik ben blij dat ik na 2 uur uit de herrie ben.

De Geschiedenis van de tand van Boeddha.
Nadat Boeddha in 543 voor Christus gestorven was, werd hij gecremeerd. In de as vond men nog enige botjes en een deel van een tand. Dit “heiligdom” is meegesmokkeld naar Sri Lanka en in de 4e eeuw na Christus verborgen in de harem van een prinses. De relikwie werd eerst naar Anuradhapura gebracht, maar daar was het vaak oorlog en de tand werd daardoor steeds verplaatst. Na heel veel omzwervingen, oorlogen en intriges kwam de tand uiteindelijk terecht bij de koning van Kandy. Tot aan 1815 had alleen de koning van het land toegang tot de tand. Sinds die tijd wordt de bewaker van de tand democratisch gekozen door een raad van hooggeplaatsten. Tijdens de jaarlijkse optocht wordt slechts een replica van de tand gebruikt. Dit feest, het Perahera festival, vindt ieder jaar plaats op de avond van de volle maan in augustus in Kandy. Het is een optocht van prachtig versierde olifanten die door de stad lopen met een gouden kistje. In dit gouden kistje zit de replica van de tand van Boeddha.

Kandy
De oude naam voor Kandy is Senkadagal, Kandy werd door koning Vikramabahu 3e in de 14e eeuw gesticht. Zijn opvolger besloot er de hoofdstad van te maken. Hij liet een nieuwe tempel bouwen om de relikwie erin te bewaren. Nadat Kandy een groot religieus centrum was geworden, werd het Maha Nuwara (Grote stad) genoemd. Een naam die de Singalezen tot op de dag van vandaag nog wel gebruiken. In de 16e eeuw landden de Portugezen op het eiland Ceylon en veroverden ze Colombo en de westkust. De Singalese leiders van Kotte en Sitawaka trokken zich toen terug in het binnenland (1590) en kozen Maha Nuwara als nieuwe hoofdstad. Vier jaar later waagden de Portugezen een aanval op de stad die zij Kandy noemden, de aanval werd onmiddellijk afgeslagen. In de loop van de twee eeuwen die volgden wisten de heersers van de hooglanden de Portugezen, Nederlanders en Britten het hoofd te bieden en hun onafhankelijkheid te bewaren. De vorst van Kandy moest soms de aanwezigheid van een Nederlandse resident voor lief nemen, maar hij slaagde erin zijn onafhankelijkheid te behouden. Koning Raja Singha II accepteerde echter in 1638 te onderhandelen met de Nederlandse Oost-Indische Compagnie, die in ruil voor militaire hulp de kaneelhandel overnam. Door onenigheid over de troonopvolging ontstond aan het begin van de 19e eeuw in het midden van het land een sfeer van samenzwering, waardoor koning Sri Wickrama Raja Sinha in een zeer moeilijk parket terecht kwam. De Britten, die het eiland bij het verdrag van Amiens (1802) toegewezen hadden gekregen, besloten te profiteren van deze interne verdeeldheid en openden de aanval op het koninkrijk van Kandy. In 1815 werd de koning gedwongen te vluchten waardoor het eiland Ceylon voor het eerst helemaal door westerlingen werd overheerst. Vervolgens werd Kandy een welvarende stad. Tijdens de Tweede Wereldoorlog had het commando van Zuidoost - Azië er zijn hoofdkwartier


Het hotel waarin wij de komende 2 nachten verblijven, het Topaz hotel, is een stuk luxueuzer dan de vorige hotels. Het diner wordt op het dakterras geserveerd, het uitzicht over de stad is grandioos. Van alle kanten komen de geuren en de geluiden je tegemoet. Vanuit het oosten het geluid uit moskeeën en minaretten, vanuit het westen en noorden het geluid en de muziek van de vele trouwpartijen die aan de gang zijn. We zien veel mooie vogels, groene papagaaiachtigen en natuurlijk ook hier weer kraaien en ijsvogels.


Dag 7: Kandy – botanische tuin - Kandy

Om 09.00 worden we opgehaald en gaan we op ons gemak richting botanische tuin. Ook vandaag is het een goede dag om te trouwen. We zien weer vele stelletjes. Eerst even een verplicht bezoekje aan een edelstenen fabriek met verkoopshow. (Sam moet dit doen. Ter controle krijgt hij een stempeltje op een papiertje als bewijs dat hij er geweest is). Het is een semi staatswinkel, dus de prijzen zijn hoog. Omdat de vrouwtjes wel geïnteresseerd zijn in glimmertjes op naar een andere zaak met een normaal prijsniveau. Iedereen koopt wat, dus de sfeer is gemoedelijk. Ik maak een gezellig praatje met de manager die vorig jaar met de directeur in Nederland is geweest. Als moederdag cadeautje koop ik gouden oorbellen in de vorm van een hartje met red garnet (dezelfde soort steen die ik 33 jaar geleden op het eiland gekocht hebt en waar Frans zijn broer een ring van heeft gemaakt). We gaan weer verder. Onderweg zien we een ossenkar met hout. Het hout is voor de verkoop en het gaat blijkbaar op gewicht want ik zie de verkoper een unster gebruiken. We zijn ondertussen bij de botanische tuinen aangekomen. Het is bloedheet, dus we slaan wat extra water in.


De botanische tuin bij Kandy
De Botanische Tuin is aangelegd in de 13e eeuw en ligt op 30 minuten afstand van ons hotel vlakbij Kandy. Het is erg rustig er zijn weinig bezoekers Het is een heel groot park ruim 5000 plantensoorten en allerlei bomen uit de gehele wereld zoals palmen, cactussen, bamboe, tropische bomen, woudreuzen en de lotusvijvers, kruidentuinen en grote orchideeën kas om te bekijken. Ook hangen er veel vleermuizen in bepaalde bomen.


Veels te snel, na krap 2 uur moeten we al weer weg, we hadden hier wel 2 dagen willen blijven. Op naar de lunch. Die wordt weer in een hotel genuttigd, weer rijst met curry (jammy, jammy) De vrouwen glippen bij een trouwerij naar binnen, het bier is ook wel lekker (Lion beer). Na de lunch gaan we naar een kledingzaak en de vrouwtjes worden in een sarong gehesen. Natuurlijk moet er weer wat gekocht worden, want dat past heus nog wel in de koffer!


Dag 8: Kandy – Nuwara Eliya - Bandarawela

Om 07.00 opstaan en ontbijten. Om 08.30 gaan we weer op pad. We rijden door het drukke verkeer in Kandy, richting Nuwara Eliya. We zien veel tuk-tuks en ossenkarren met hout. Er rijden hier opvallend veel TATA autobussen. In de wat mindere plaatsen zijn het vooral Leyland bussen die moeilijk op gang komen en het verkeer behoorlijk ophouden. We zien weer de gebruikelijke groente- en fruitstalletjes en diverse stalletjes met de benodigdheden voor Jan en alleman (wat wij normaal in de grijze klikko stoppen). Het is een heuvelachtig gebied met hoofdzakelijk theeplantages. Theeplantages zijn qua hoogteniveau in drieën te verdelen. Laag: tot een hoogte van 200 meter, Middel: van 200 meter tot 1500 meter en Hoog: vanaf 1500 meter. Het soort thee wat geteeld wordt, hangt dus o.a. van de hoogte af. We zitten hier op ca. 2000 meter hoogte. De oud engelse koloniale sfeer hangt hier nog over het landschap. We passeren de Ramboda tunnel, met een lengte van 225 meter is dit de langste tunnel in Sri Lanka. De Tunnel werd op 24-02-2008 geopend. Ook zien we diverse watervallen. Volgens Sam is er sinds de Tsunami een klimaatwijziging geconstateerd. Het is droger in het binnenland (het hoge gedeelte van Sri Lanka) en het is vochtiger in het lage gedeelte van Sri Lanka (aan de kusten). Ook komen we een paar zwervers tegen, die graag voor een fooitje op de foto willen. We bezoeken vervolgens de Macwoods theeplantage. We krijgen een rondleiding waar het hele proces van theeblaadje tot een kopje thee wordt uitgelegd, natuurlijk wordt er een kopje thee gedronken en worden we richting winkel gedirigeerd waar we diverse soorten thee kunnen kopen.

Uitleg thee verwerkingsproces:
1 maal per week wordt er geoogst, men plukt de top en de 2 bovenste blaadjes. Vervolgens wordt de oogst 14 uur in een droger door warme lucht verwarmd. Dit resulteert in een gewichtsafname van 50%. De blaadjes gaan vervolgens naar een kreuk- en schudmachine. Dan wordt er gedurende 2 ½ uur geformatteerd (niet de witte en groene thee). Er wordt weer gedroogd en dan gesorteerd op fijnheid. Als laatste stap wordt de thee verpakt in balen van 50 kg . Het hele proces van pluk tot zak heeft dan ca. 24 uur geduurd. De thee struiken worden 1 x per 5 jaar teruggesnoeid. Er kan na 3 maanden weer geoogst worden. De theestruiken gaan zo’n 40-50 jaar mee. De door ons bezochte theeplantage was ca. 150 hectare groot.

Op naar het treinstation van Nano Oya (Nuwara Eliya). Maar eerst even een tussenstop bij een banketbakker waar we heerlijke sambalbroodjes, geitenbollen en kleine pizza’s voor onderweg kopen. Tegenover de banketbakker ligt een luxe internationaal golfresort met een mooi aangelegd bloemenperk (o.a. violen en petunia’s). Het stationnetje heeft zijn beste tijd gehad en ziet er (in onze ogen) vervallen uit. Sam gaat met de minibus richting Bandarawela en geeft nog 100 adviezen wat we wel en niet moeten doen. Een uur te laat arriveert de trein en stappen we in. De trein is overvol en voorlopig moeten we staan. De trein heeft ook een 3e klasse (zonder banken). Vergeleken met de 2e klasse is het daar niet zo druk. Ook op de tafels kun je zitten. De reis duurt ca. 2 ½ uur en halverwege de rit bemachtig ik een plekje naast een militair die een beetje engels spreekt. Naar buiten kijkend zie je heel veel groen. Er is veel terrassenteelt waar groente en bloemen worden geteeld. De mensen zijn hier wat kleiner dan in de grotere steden. De watervallen stellen ook niet zo veel voor. Op deze hoogte, ca. 2500 meter, is het relatief koud, zo’n 20 °C. Veel kinderen lopen met ijsmutsen op en hebben truien aan. Aangekomen in Bandarawela stappen we uit, Sam staat alweer op ons te wachten. De treinkaartjes moeten ingeleverd worden, maar een fooi doet ook hier weer wonderen.

Het hotel waar wij nu overnachten, dateert uit 1893, het is een schitterend oud Engels koloniaal hotel waar gasten nog gasten zijn en bediendes bedienden. Er is veel Birmees teakhout en er hangen oude foto’s van vroegere tijden aan de wand. Ook is er nog een maquette van het hotel. Een schitterende entourage. ‘s Avonds dineren in stijl, geen lopend buffet maar nouveau cuisine. Een piepkleine bediende brengt ons de menu kaart en we kunnen kiezen tussen vis of vlees. Als voorafje krijgen we een piece of art. Een kwartelei, 3 halve mini mini tomaatjes, drie sperzieboontjes van 3 cm en daarboven op een piepklein stukje vis en een druppeltje saus. Vervolgens komt de Franse uiensoep, de soep is waarschijnlijk in de pan gebleven want na 2 keer met je lepel scheppen is de soep op. Dan komt het hoofdgerecht: een ½ bol rijst en voor mij een heerlijk stukje kip (helaas geen Barnevelder) Het eten is weinig gekruid, dus de Tabasco maar eens stevig gebruikt. Ank houdt het bij vis. Je denkt: Dat wordt honger lijden, maar na een aantal gangen valt dat wel mee. Het dessert, met keuze uit fruit of cake. De cake was sponscake (Bah!). Daarna nog een kopje koffie. Op het terras werd je aangevallen door strijdlustige muggen, dus op naar de kamer. Ook de kamers stralen nostalgie uit. Een koperen bed met verstelbare spiraalveren matras. De kamer is ca. 4 meter hoog en het bad is ook nog een ouderwets bad op messing poten. Helaas blijven wij hier maar 1 nacht. Bij elk hotel is bewaking. Bij dit hotel staat de bewaker keurig voor zijn huisje in uniform. Ank vroeg de man of zij een foto van hem mocht maken, vol trots gaat hij poseren. Buik in en in de houding, schitterend.


Dag 9: Bandarawela - Galle

Om 06.00 uur worden we gewekt door de oproep tot gebed vanuit een moskee. Om 07.00 uur staan we op. Om 07.30 uur ontbijt en om 08.00 uur rijden we weg. Tja dat is het echte vakantiegevoel. Volgende vakantie maar weer een all inclusieve op een ligbedje bij het strand met een late breakfast tot 11.00 uur (geintje). We rijden weer langs vele theeplantages en zien veel theepluksters. Ook lopen er een aantal koeien over de weg. De automobilisten wachten rustig tot de weg weer vrij is. We zien heel veel bomen die in bloei staan, met paarse
(judasboom?) en rode bloemen (Mexicaanse flamboyant boom).

We rijden door een dorpje waar binnen 50 meter van elkaar een Hindoe tempel, een moskee en een kerk staan. We gaan naar de hoogste berg van het land (+ 2500 meter) de weg loopt stijl omhoog en de auto heeft er moeite mee, de airco gaat uit. De vergezichten zijn heel erg mooi. Langs de kant van de weg zien we weer heel veel groente, fruit- en specerijenstalletjes. Ook wordt er in dit gebied veel (rode) pepers geteeld want op een aantal plaatsen ligt het in de zon te drogen. Op sommige plaatsen doet men wel aan wisselteelt. Een ex rijstveld wordt omgeploegd en de tomatenplantjes staan al klaar om gepoot te worden. We maken een praatje met de familie en geven na afloop een paar balpennen aan de kinderen. Iets verder is een “Gems” veld. Concessies voor het graven naar edelstenen worden afgegeven door de overheid en de vindplaatsen zijn schaars. De regering is huiverig voor bedrog (er komen veel synthetische edelstenen uit Thailand, de Filippijnen etc.). Het ziet er nogal amateuristisch uit. Sam waarschuwt ons voor de “schatgravers” het schijnen nogal agressieve mannetjes te zijn. (Ach ze zijn klein en ik ben groot). Het is hier Hindoe gebied, we rijden door de City of Gems: Ratnapoera. Er is een Hindoe optocht aan de gang. Op een platte wagen, getrokken door een tractor staat een altaar met giften, een paar bananenplanten en er lopen Hindoes mee in kleurrijke dracht. Op de achtergrond loopt een man met 2 vleeshaken in zijn rug en een spies door zijn wangen. Aan de vleeshaken zitten 2 touwen die een kleine jongen vasthoudt. (????). Hij kijkt niet echt vrolijk.

Sam vraagt of wij zijn gastenboek willen invullen, Rita Verdonk met familie schijnt ook al 2 maal (naar volle tevredenheid) met hem op pad te zijn geweest, valt te lezen. We passeren een rubberplantage, 1 maal per 25 jaar worden de bomen vervangen. Door de komst van synthetisch rubber is de vraag naar natuurrubber ingestort. Ook zien wij in dit gebied veel Jackfruit. De nationale vrucht van Bangladesh. Aan de vrucht worden dezelfde eigenschappen als aan viagra toegeschreven, moslims zijn er gek op. Het is de grootste vrucht die aan bomen kan groeien. De diameter is minimaal 25 centimeter.
De vrucht stinkt enorm, daarom zie je in o.a. Thailand in hotels bordjes hangen dat het verboden is om deze vrucht mee te nemen in het hotel.

We komen weer richting kust en zien nieuwe, kleurrijk geschilderde vissersboten (Tsunami giften). Ook rijden we langs koloniale gebouwen. In het meer zwemmen een paar ossen met een jong en even verderop geniet een olifant van zijn bad. We maken vervolgens een rondvaart over het meer en zien mangrovebossen, cashewnoot bomen, broodbomen, veel ijsvogels, aalscholvers, witte reigers en een paar visarenden in de lucht zweven. In het water zwemmen water varanen. We stoppen bij een eilandje en krijgen van de locale bewoonster een aapje in onze handen gedouwd. Na een fooitje gaan we weer verder. Wat opvalt, is dat er weinig wordt weggegooid, alles wat gerecycled kan worden, wordt bewaard. Zo laat men de harde schil van de kokosnoten een tijdje in het water liggen zodat men de vezels beter kan verwerken tot touw. We varen verder en komen bij een vrouwtje die hele grote garnalen verkoopt. Iets verderop is cinnemon eiland. We zien hoe kaneel wordt gewonnen, hoe van kokosvezel touw wordt gemaakt en hoe men van een palmtak dakbedekking maakt. De boot vertrekt weer en we varen langs een eilandje met een hindoe tempel. Iets verderop is een eiland met een boeddhistisch klooster. Op diverse plaatsen wordt er gevist. Ook zitten er hier weer veel apen in de bomen. Na de rondvaart drinken we een borrel (arak) en zien we de zon ondergaan. We rijden naar het Lady Hill hotel in Galle waar we 1 nacht blijven. Ook hier weer veel trouwerijen. We dineren op het dakterras, helaas is het te donker om nog van het uitzicht te kunnen genieten. Het eten is ook hier weer lekker. De volgende ochtend ontbijten we op de begane grond. Het eten is goed verzorgd, maar de bediening is traag. Zeker laat geworden gisteren.


Dag 10: Galle - Koggala

We rijden richting Galle, de oude VOC plaats. Onderweg zien we weer heel veel visstalletjes.

Galle
De 36 hectare grote Nederlandse VOC-vesting Galle is een enorm openluchtmuseum: het hele stadje staat op de World Heritage list. Galle is de meest Hollandse stad in Sri Lanka. Omdat er veel oude Nederlandse gebouwen goed bewaard zijn gebleven, is Galle vooral interessant voor Nederlandse bezoekers. Nog altijd zie je straten met namen als de 'Leynbaan street' en het 'Utrecht Bastion'.
De VOC bouwde het fort in 1663 nadat ze het op de Portugezen veroverd had. Galle was de belangrijkste haven van het eiland totdat Colombo zijn kunstmatige haven kreeg. Vooral de metersdikke vestingmuren, die heel oud-Galle omcirkelen, zijn indrukwekkend. Je kunt in ruim een uur over de muren en de zware bastions rond het oude centrum van Galle wandelen, waarbij je een prachtig uitzicht hebt over het plaatsje en de zee.
Natuurlijk bezochten wij de Nederlands Hervormde Kerk van Galle met zijn vele antieke graven met oud-Nederlandse teksten. We kregen het verzoek van de koster om vooral het gastenboek in te vullen en een donatie richting kerkfonds te doen. Naast de kerk staat het hotel New Oriental, een koloniaal hotel waar sinds de opening zo’n 100 jaar geleden nauwelijks iets is veranderd. Oorspronkelijk dateert het gebouw uit 1684 en huisvestte het VOC-ambtenaren en soldaten. Ook de gouverneur woonde hier. De vuurtoren staat naast de kruitkamer en het hospitaal lag weer naast de kruitkamer. Dit laatste lijkt mij erg logisch.
Natuurlijk zijn er weer verkopers die allerlei prullaria aan de toeristen proberen te slijten. We kopen een paar houten olifanten en een paar “echte” VOC munten. Hierna gaan we naar het Somawathi Holland House of Hope. Dit weeshuis werd na de tsunami door Nederlanders opgericht en draagt zorg voor circa 100 weeskinderen van verschillende leeftijden. Vooraf hebben wij Sam gevraagd of hij bij een boekhandel wil stoppen, zodat wij schrijfblokken, kopieerpapier, schriften, kleurpotloden ed. kunnen kopen. Aangekomen bij het Holland house krijgen wij een rondleiding over het complex. Er staan diverse nieuwe gebouwen waarin per gebouw ca. 8 jongens of meisjes onder de zorg van een begeleidster wonen. De kinderen zijn enthousiast en willen graag op de foto. Het ziet er allemaal heel mooi uit. We gaan weer verder. Het is de dag van de schoolwedstrijden en zien op diverse plaatsen bij stadions lange rijen ouders met kinderen. Het is hier gebruikelijk om met de hele familie op de motorfiets te rijden, 5 personen moet kunnen. We stoppen bij een schildpadden opvangcentrum. Schildpadden worden hier nog als een lekkernij ervaren, maar de overheid stimuleert bescherming van de flora en fauna. Vissers die kleine (uit het ei gekropen) schildpadden naar het opvanghuis brengen, krijgen een vergoeding. We zien een aantal schildpadden van een week uit. Ze zijn helemaal zwart, als ze ouder zijn krijgen ze pas de definitieve kleuren. Aangezien het de laatste dag is van onze rondreis vragen we aan Sam om een goed restaurant waar we de lunch kunnen gebruiken. Natuurlijk nodigen wij hem uit om samen met ons te eten. Het is een bijzonder lekkere vismaaltijd met grote en kleine garnalen, krab en rijst. Het dessert bestaat uit ijs en fruit. Ik hou een toespraak namens de groep en overhandig een enveloppe met inhoud. Sam is erg geëmotioneerd.
Op naar ons laatste hotel. Het Koggala Beach hotel. Het hotel ligt direct aan het zandstrand. Er staan diverse palmbomen en het uitzicht is precies zoals je op de ansichtkaarten ziet. De ligstoelen staan al klaar onder de palmbomen en we kunnen relaxen. Wat wil je nog meer?
Ook op het strand en in de directe omgeving van het strand zijn er veel dieren. We zien een Agame en een Skink samen op 1 palmboom. Ook zien we zeeschildpadden geboren worden. Dat is een heel speciale ervaring. De kleintjes (zo’n 100 stuks per nest) komen uit het zand gekropen en worden gedurende de dag door medewerkers van het hotel in een teil met water gestopt. Ook helpen deze mannen de schildpadden een beetje door ze uit te graven. Koereigers staan klaar om aan te vallen en proberen een lekker maaltje te verorberen. Helaas voor hen, alle schildpadjes zijn veilig. ’s Avonds als het al wat donker is worden de schildpadden naar de zee gebracht en moeten ze de laatste paar meters zelf afleggen.
Noodkreet van de buren: of ik even een miljoenpoot wil verwijderen. Het beestje laat zich makkelijk pakken en ik breng hem naar een schaduwrijk plekje bij de palmbomen. Op het strand zien we ’s avonds heel veel grote heremietkreeften. Overdag zien we veel krabben op het strand. Het water is heerlijk, ongeveer 27°C. Het diner is weer in buffet vorm en er is keuze genoeg. Een bandje speelt Duitse slagers, ook zij zullen nooit een songfestival winnen.


Dag 11 - 15: Koggala

In het hotel zitten voornamelijk Duitsers op basis van all inclusive. Gelukkig zitten wij in een rustig gedeelte van het hotel. De lunch gebruiken we een paar keer bij een stalletje naast het ressort. Het eten is ook daar erg lekker. Ook maken we nog een tochtje met een Tuk Tuk. De chauffeur laat ons de omgeving zien en brengt ons (weer) naar een kruidentuin met o.a. zoet hout, peper, kapok, kaneel, bananen, en kruidnagelen en nog veel meer. Vervolgens rijden we naar het huis van een familielid die kamers verhuurt. De eigenaar is niet thuis maar in een aanbouw zit een edelsmid die goud aan het bewerken is. Het ziet er allemaal heel erg primitief uit. Ook zien we nog een keer schildpadden uit het ei kruipen en ook die worden ’s avonds weer bij de zee vrijgelaten. Kortom het zijn echte relaxdagen. Anneke gaat nog 2 maal naar de massage. Voor € 7 wordt je een uur gemasseerd. Op de laatste dag van ons verblijf in het hotel worden we ’s avonds om 23.00 uur opgehaald. Het is ongeveer 3 uur rijden naar het vliegveld. Dus om 02.15 zijn we op het vliegveld en het is nog ruim 4 uur wachten voordat we de lucht ingaan.


Dag 16: Colombo - Amsterdam

Om 06.00 uur stappen we aan boord van de RJ 195. Om 06.30 stijgen we op en na ongeveer 7 uur vliegen zijn we in Amman. In Amman is er een overstap van 1 ¼ uur en om lokale tijd 11.30 uur stappen we in de RJ 151 die ons in 5 ½ uur naar Amsterdam brengt. Om 16.00 uur zijn we in Amsterdam. We nemen afscheid van onze medereizigers en gaan naar P3. Om 17.00 zijn we thuis en onze vakantie is afgelopen. Blijft over een koffer met vuile kleren, ongeveer 2000 foto’s, souvenirs en wat kruiden. Mijn herinneringen aan Sri Lanka zijn gelukkig waarheid geworden en Anneke vond het een groot avontuur.


element reizen2
banner nrv holidaybanner nrv holidaybanner nrv holidaybanner nrv holiday
Volg NRV Holiday via of neem contact op    070 - 30 767 00